• 01_weefgetouw_img_1205_300.jpg
  • 02_carre34a.jpg
  • 03_weefgetouw_img_1208_300.jpg
  • 04_blokrooda.jpg
  • 05_weefgetouw_img_1213_300.jpg
  • 06_carre44.jpg
  • 07_weefgetouw_img_1226_300.jpg
  • 08_blauwstreep_300_q10.jpg
  • 09_weefgetouw_img_1230_300.jpg
  • 10_carre24.jpg
  • 11_weefgetouw_img_1239_300.jpg
  • 12_klimopgroot2a_300_w.jpg

Verzamelde vertellingen 2014

 

Januari 2014. Waterproef en de Watermolen

Wanneer je het woord waterproef hoort, denk je tegenwoordig meteen aan een horloge,waarmee zonder problemen onder de douche kunt gaan staan.  
In de late middeleeuwen was de waterproof iets heel anders.
Wanneer een vrouw werd aangeklaagd voor hekserij, dan moest ze de waterproef ondergaan.
Aan handen en voeten geboeid werd ze hangend aan een lang touw in het water gegooid.
Bleef ze drijven dan was bewezen dat het een heks was.
En werd ze daarna op de brandstapel terechtgesteld.
Alleen als ze meteen in het diepe zonk, werd ze aan het touw opgehesen en was ze onschuldig.
De Geldropse watermolen (waar nu het waterrad bij het weverijmuseum is) was kennelijk erg geschikt voor de waterproef. Het molenwiel of de “de wiel” was het water achter de watermolen.
De toenmalige Heer van Mierlo: Erasmus van Grevenbroeck (die bekend stond als een wreed heerschap) was ook Heer van andere dorpen in de omgeving.
Hij mocht voor deze proef gebruik maken van de Geldropse watermolen.
Daar werden tussen 1585 -1595 vrouwen uit Mierlo, Lierop en Leende naar toe gebracht en moesten daar de waterproef ondergaan. Zij werden meestal schuldig bevonden.
Koning Philips II van Spanje die tevens Heer van Brabant was verbood in 1595 de waterproef als bewijsmateriaal. Maar de heksenprocessen gingen nog lang door.
Zo werden in 1613 nog 64 vrouwen in Roermond terechtgesteld!  

J.B./J.G.

Februari 2014. Textiel in de Helze

Vanuit de rotonde in Geldrop centrum (bij de kerk) gaat een weg naar Nuenen te beginnen met de Helze. Dit stukje weg was in het midden van de 19e eeuw een breed verharde zandpad en eindigde bij de dommel waar nu het stukje natuurbos ligt opgesloten, tussen de Beemdstraat en Rietstraat. Daar werd in 1852 een wollenstoffenfabriek gebouwd door de lakenhandelaar
Carl Frantzen uit Bergeyk, samen met de Geldropse notaris P.J. van Galen.Hij maakte voor het vollen van lakens gebruik van een stoommachine als energiebron. In1855 had hij 18 mensen in dienst. Het bedrijf heeft tot 1857 bestaan en kwam daarna in handen van Carl Raue (D) samen met notaris van Hoven uit Son. In 1866 ging Raue met een andere financiële partner G. Bodde uit Meerbeek (B) in zee. Het bedrijf onder de naam: Raue&Bodde heette “Fabriek van Laken en Bukskin”.
In 1873 gaf de als ‘stoomvollerij’ omschreven fabriek werk aan 85 mensen, dat was in 1876 opgelopen tot 98. Voorwaar voor Geldrop een werkvoorziening van formaat! De fabriek bleef tot 1901 in handen van R & B. Daarna kwam het leeg en werd gekocht door P. van den Heuvel. Het gebouw werd in dat jaar tijdens de kermis gebruikt als feestzaal voor de R.K. Jongerenbond. Eind 1901 werd het verhuurd aan J.A. Raymakers uit Helmond die er een haspelarij (gebouw waar garen werd gesponnen) begon. Echter voor een korte tijd en weldra verkocht P. v.d. Heuvel het aan de Firma Fooyer en Meijer uit Amsterdam die daar begonnen onder de naam: Geldropse wolindustrie met ambitieuze plannen om het uit te bouwen tot een grotere fabriek.
In 1906 was het alweer gedaan en kwam het wederom leeg te staan. In de jaren 1911-1912 hebben de gebouwen ook nog dienst gedaan als onderkomen voor de arbeiders uit het hele land bij de aanleg van de spoorlijn Eindhoven - Weert.
En dan wordt op 30 Maart 1912 melding gemaakt dat P. de Wit uit Helmond de gebouwen heeft gekocht en daar begint met een dekenfabriek (later verhuisd naar de Parallelweg).
Vanaf 1914 zijn de gebouwen weer vrij en in 1916 begint de firma Pessers (Tilburg) er een kamgarenspinnerij. In1927 werd het gebouw met gronden gekocht door Baron van Tuyll van Serooskerken. Deze ging het gebruiken voor stalling en bergplaats. Door deze aankoop zorgde hij voor een aangesloten complex van zijn bezittingen. Daarna werd de Firma de Wit (Schijndel) de nieuwe eigenaar. Tenslotte in 1940 vertrokken ook de laatste textielarbeiders van Jansen de Wit uit deze fabriek en raakte het in verval.
Een rijke textielgeschiedenis in de “Helze” met diverse eigenaren was ten einde!
In de naoorlogse dagen heeft schrijver van dit stuk zelf als jongen tijdens vele omzwervingen bij de bouwvallige fabriek nog menig avontuur beleefd! 

J.G.

Maart 2014. De Jaarmarkt

Woensdag 8 november 1856.
Het is een bijzondere dag voor Geldrop. Want er is een jaarmarkt, en dat betekent feest voor de dorpsbewoners. Behalve de kermis en soms nog een jaarmarkt in het voorjaar valt er maar weinig
te beleven in Geldrop.
Het is een koude en heldere morgen, maar toch is het al vroeg druk op straat.
Geiten, schapen en een paar koeien voortgedreven door jongens lopen door de Molenstraat in de richting van de Grote Heuvel.
Daar aangekomen worden de dieren aan paaltjes vastgebonden en dan duurt het niet lang meer tot je het eerste “Handjeklap” hoort van een geslaagde koop.
Zo gaat het de hele dag door tot boeren en handelaren elkaar aan het eind van de middag vinden in het Café van de Weduwe van Dijk in de Langstraat.
In diezelfde Langstraat staan de hele dag kramen met allerlei textiel zoals:
Miselaan, baai, boezel, rokstreep en duffel.
De vrouwen verdringen zich voor de kramen en kopen voor zichzelf en de kinderen vooral miselaan (dunne stof voor ondergoed) en ook rokstreep voor bovenkleding. Voor de mannen vooral dikke duffel, want het zou wel eens een koude winter kunnen worden. De markt trekt zoals altijd ook handelaren van buitenaf aan.
Die staan daar met allerlei andere negotie zoals: knopen, band, veters e.d.
Maar de grootste leveranciers zijn toch de Geldropse spinners en wevers en fabrikeurs die hun zelf gemaakte stoffen aanprijzen en weten te verkopen.
Aan het eind van de dag gaan de vrouwen tevreden naar huis.
Evenals de mannen die toch wat later thuis komen en in het café blijven hangen en een deel van hun verdiensten van deze dag omzetten in de vorm van jenever en sigaren. Diverse fabrikeurs waren ook nog eigenaar van een herberg.
Dus de handel in textiel bracht hun die dag middels bier en jenever ook nog eens extra inkomsten op!

 
J.B/J.G.


April 2014. Zweren Vloeken en Textiel Geldrop

Hoe kwam Geldrop rond 1800 over voor waarnemers, meestal reizigers in relatie met de textielnijverheid?
Dat werd meestal vastgelegd in geschriften.
Zo ook een zekere Dominee Stephanus Hanewinkel. (Geboren in Nuenen als zoon van dominee aldaar).
Zijn verslagen van enkele tochten door de Meierij zijn onlangs heruitgegeven. In1798 beschreef hij Geldrop als “Een Dorp,
hetgeen vrij regelmatig tegen de overige Majorijsche Dorpen gerekend, doch met zéér veel slechte huizen bebouwd is”.
Het gedrag van de inwoners stond hem tegen! Zo schreef hij:
“Het charackter der Geldroppenaars verveelde mij geweldig; hun onophoudendlijk zweeren en vloeken kon ik niet verdragen”.
Hij voelde zich zelfs belaagd: “Altijd schimpte men op de geuzen als ik er bij was,
denkelijk omdat men dacht, schoon ik alles vermijde: `deeze is ook een verdoemde ketter`
In die tijd werd door de katholieke bevolking alhier het woord geuzen direct geassocieerd met de gehate protestanten!
Toch vertrok dezelfde Hanewinkel pas na een paar dagen hier te zijn verbleven.
Hij noteerde dat Geldrop deels van textielnijverheid bestond.
Wollen lakens werden er volgens hem vrij goed geweven en dikwijls voor Leidsche lakenen verkocht.
In zijn ogen had de plaats nog meer welvarend kunnen zijn als de inwoners zich maar konden beheersen,
want “coffie en jenever verslinden hier ontzaglijk veel tijd en geld”. Een tijdgenoot van dezelfde reiziger:
een zekere Servaas van de Graaff meldde in1807 de indruk die Geldrop op hem had gemaakt met de volzin:
“Alles wat hier leeft, om zoo te spreken spint, twernt of weeft”.
Het werd later de bekende titel van het boek van Jean Coenen.
Binnen de lakennijverheid in die tijd was het karakteristieke element in die industrie de figuur van de tussenpersoon.
Die werd in Geldrop fabrikeur genoemd; In Tilburg stond deze bekend als koopman in wollen lakens en in de Zuidelijke Nederlanden (Vlaanderen) als drapenier.
Deze kocht de wol in zette die uit bij de spinners ter bewerking tot garen en bezorgde deze vervolgens bij de wevers om er stukken laken van te maken.
Nadat de lakens in de volmolen waren geplet volgden het scheren en het verven.
Na te zijn gestreken waren de lakens klaar voor de verkoop. Om een idee te krijgen van de verdiensten van een Geldropse thuiswever:
In 1810 verdiende die twaalf stuivers per dag. Dat gaf een jaarinkomen van 180 gulden.
Een schamel loon! Om in hun onderhoud te kunnen voorzien moest het hele gezin meewerken!
Dat er soms veel gevloekt en getierd werd was dus niet zo verwonderlijk!

J.G.

Mei 2014. Jenever, Bier en Wol

In 1799 schrijft Stephanus Hanewinckel die al reizend door de meierij trok.
“Geldrop zou een welvaarend dorp weezen wanneer deze beter orde op hunne zaaken stelden, doch de coffie en jenever verslinden hier ontzagelijk veel tijd en geld”.
De langstraat alhier werd ooit het “Sneivelstrutje” (jeneverstraatje) genoemd en dat zegt al genoeg over het drankgebruik. Rond 1795 waren er in Geldrop en Zesgehuchten (dat toen een aparte gemeente was) 2 jeneverstokerijen, 3 bierbrouwerijen en maar liefst 20 herbergen en tapperijen op een totale bevolking van 1850 inwoners, waarvan 400 mannen.
De 2 jeneverstokerijen, de “Roode Leeuw” en “De Keijser” waren eigendom van Adriaan van den Heuvel (1721-1806). Zijn zoon Wilhelmus Adrianus van den Heuvel (1764 – 1824) was een bekende bierbrouwer en diens zoon Adrianus van den Heuvel (1794 – 1854) kocht de Herberg “De Zwaan” aan de Grote Heuvel. Deze Adrianus is samen met Hendrik Eijcken in die tijd ook begonnen met het fabriceren en verkopen van wollen stoffen. Adrianus is later alleen door gegaan waaruit de Wollenstoffenfabriek A. van den Heuvel & Zn is ontstaan. Op de plaats van de oude fabriek uit 1863 in de Molenstraat (nu het weverijmuseum) stond in de 18e eeuw één herberg vlak naast de watermolen “Het Pannehuijs” en één op de hoek Heuvel/Wielstraat “De Wildeman”.
Zoals gezegd veel gelegenheden in die tijd die het drankgebruik onderhielden.
En niet in de minste plaats de Fabrikeurs uit die tijd die meestal eigenaar waren van deze herbergen.
Zo zie je dat via jenever, bier en wollenstoffen en de familie Van den Heuvel er uiteindelijk een weverijmuseum is voortgekomen! 

J.B./J.G.

Juni 2014.
Arm en Rijk in Geldrop rond 1850

Stel je voor, géén W.W. géén W.A.O. of kinderbijslag en voor de ouderen geen
A.O.W. of pensioen. Wanneer je in 1850 ziek of werkloos was of te oud en te zwak om te werken, dan betekende dat armoede voor het hele gezin en was je aangewezen op liefdadigheid of hulp van het Burgerlijk Armbestuur.

Zo hebben de Familie van den Heuvel en ook andere textielfabrikanten in het Armbestuur als in de Geldropse Liefdadigheidsverenigingen een belangrijke rol gespeeld. Al op 23 januari 1818 was Willem Adriaan van den Heuvel benoemd tot Armmeester van het Burgerlijk Armbestuur. Misschien heeft hij zich wel laten benoemen uit een soort van schuldgevoel, want als bierbrouwer was hij door het grote drankverbruik mede de oorzaak van de grote armoede onder de Geldropse bevolking. In de periode 1847 – 1853 leefde bijna de helft van de Geldroppenaren van de “bedeling” van het Armbestuur. Wanneer er genoeg werk was in de Wol en Linnen fabrieken, waar 80% van de bevolking van afhankelijk was, dan was er minder armoede, maar in slechte tijden nam de armoede snel toe. De weeklonen in de textielbedrijven lagen in die tijd tussen de fl 1.50 en fl 4.50. Het hele gezin moest meewerken om het hoofd boven water te houden dus ook jonge kinderen. In 1850 werd de Vincentiusvereniging opgericht. Een liefdadigheidsvereniging die vooral zorgde voor arbeid voor werklozen. De eerste President was Adrianus van den Heuvel en na zijn dood in 1854 werd 2 jaar later in 1856 Willem van den Heuvel de nieuwe President en zou dat blijven tot 1896. Onder zijn presidentschap gingen de leden (dat waren meestal rijke textielfabrikanten zoals van der Heijden, Schellens e.a.) ook op huisbezoek om o.a. hulp in natura te brengen. Men moet hier toch vooral denken aan textiel, maar ook andere goederen voor de eerste levensbehoeften waren zéér welkom. Zo werd ook op 2 oktober 1860 de St. Elisabethsvereniging opgericht. De eerste Presidente was Paulina Kouwenberg, de echtgenote van Willem van den Heuvel. Zij was Presidente tot haar dood in 1888. 
De doelstelling van deze vereniging was: “Hulp te bieden aan behoeftige kraamvrouwen en andere zieken van hetzelfde geslacht”. Zo zien wij dat, de rijke textielfabrikanten zowel in goede als in slechte tijden belangrijk zijn geweest zijn geweest voor de Geldropse burgers.

JB/JG

Juli 2014. Vele wegen leiden naar Mierlo

In 1820 bijna 200 jaar geleden telde Mierlo maar liefst 350 thuiswevers een groot aantal op de totale bevolking.
De meeste werkten voor een Fabrikeur (Textielkoopman) die in Helmond of Geldrop woonde.
Dat was in die tijd een hele afstand om daar te komen.
En er waren toen nog nauwelijks wegen. Meestal bestond de weg uit een verharde zandpad, waarover de wevers hun geweven stoffen al lopend een lange zware weg moesten afleggen om bij de Fabrikeur te komen.
Aan de rand van Mierlo, vlak bij een zandweg die over de hei naar Heeze liep stond een wevershuisje dat uit hout en leem was opgetrokken met een strodak en aan de voorkant een deur met 2 kleine raampjes.
Daar woonde de thuiswever Aert met zijn vrouw Clara en 3 kinderen: Cathalijn, Anna en Willem.
Iedere dag 11 uur aan het weefgetouw om zo in twee weken 80 ellen wollen lakenstof te weven, waarmee hij dan 8 gulden verdiende.
Om de 14 dagen ging Aert op vrijdag met een kruiwagen vol stoffen naar zijn Fabrikeur in Geldrop, leverde zijn handel in, kreeg uitbetaald en nam ruwe wol mee terug voor de komende weken.
Samen dronken ze in het café nog een glaasje.

En dan weer terug een uur lopend over het mulle pad naar huis toe.
In die tijd moesten de zand, hei en bospaden door de Mierlonaren in opdracht van de kasteelheer of het dorpsbestuur jaarlijks worden bijgehouden.
En het zou nog jaren duren voordat daar verbetering in kwam en er een echte weg naar Mierlo liep.
Eindelijk rond 1850 kwam de eerste grindweg van Geldrop via Mierlo naar Helmond.
En zongen de Mierlosche wevers: “Het lied van de neie weg”
  

Daar zal een grindweg komen

Al door die ruime markstraat

Wie had zulks kunnen dromen

Als hij door ons midden gaat

Dan kunnen wij recht op Helmond aan

Over die schoone kiezelbaan

Recht naar Geldrop door de hei

Vrienden juicht verheugd en blij

 
JB/JG

Augustus 2014. Stoom, Stroom en Gas   


In 1920 was er in Geldrop nog nauwelijks elektriciteit, gas, stromend water en riolering! Met uitzondering van enkele rijke fabrikanten en een paar burgers die gasverlichting in huis hadden. Toch moesten ook zij net als alle andere Geldroppenaren het doen met turf, hout en een enkeling cokes voor de verwarming. En verder met water uit de put achter het huis. Bijna een eeuw eerder, in 1827 kwam de fabrikant Hendrik von der Nahmer naar Geldrop. Deze begon in 1830 op de Mierlose weg bij de brug over de dommel een spinnerij, waarvoor hij in datzelfde jaar een stoommachine kocht. Dus ook stoom had zijn intrede gedaan. Hier begon een tijdperk van economische vooruitgang en betere leefomstandigheden. In 1875 werd in de Sluisstraat 2, door enkele fabrikanten “De Geldropsche Gasfabriek” opgericht, waardoor gasverlichting voor de fabrieken en bij enkele (rijke) particulieren kon worden toegepast. Ook kwamen er op enkele straathoeken gaslantaarns te staan. In 1893 krijgt de Gasfabriek concurrentie van de firma van den Heuvel, die bezig was met de aanleg van elektrisch licht. Met behulp van een eigen generator werd in September van dat jaar met de kermis voor het eerst elektrisch licht ontstoken. Twee koolbooglampen op de markt met een lichtsterkte van 2000 kaarsen verspreiden een mooi en gelijkmatig licht. De beide lampen waren uiteindelijk bestemd voor het fabrieksterrein en de machinekamer van de firma van den Heuvel. De elektriciteit die deze generator produceerde werd ook aan de gemeente en particulieren verkocht. Geldrop wilde hier niet van afhankelijk zijn en sloot op 4 April 1914 voor een bedrag van f 13.131 een contract met de P.N.E.M. voor de aanleg van een laagspanningsnet. In November van datzelfde jaar branden overal de nieuwe straatlantaarns. In 1917 sloot de “Geldropsche Gasfabriek”. Maar vanaf 1920 werd gas ook door Eindhoven ook aan particulieren geleverd. In de 20-er en 30-er jaren begint de gemeente met de aanleg van waterleiding en riolering. Toch zal het nog tot 1939 duren voordat de meeste huizen zijn voorzien van gas, elektriciteit, stromend water en riolering. Uit dit verhaal blijkt weer dat fabrikanten in Geldrop van grote invloed zijn geweest op goede voorzieningen, en hierdoor hebben meegewerkt aan de vooruitgang van de gemeente.
JB/JG


September 2014. Hr. Verhagen en Verzet

De Hr. F. Verhagen (Oprichter Weverijmuseum) was bij het uitbreken van de 2W.O. hoofd van het distributiekantoor,gevestigd in de Kerkstraat te Geldrop. In deze functie heeft hij een belangrijke rol gespeeld in het distribueren van allerlei bescheiden zoals: Persoonsbewijzen, distributiekaarten, rantsoenbonnen TD-Kaarten (tweede Distributie-stamkaart). 

Deze TD-kaarten met persoons- registratie waren belangrijk voor het verzet. 
En dus aantrekkelijk voor diefstal!


Daarvoor heeft de Hr Verhagen regelmatig gewaarschuwd bij het hoofdkantoor in Eindhoven dat de oude brandkast in het kantoor in de Kerkstraat makkelijk was te kraken! 
Hij heeft meermalen een verzoek ingediend voor een nieuwe brandkast! Maar tevergeefs! 
Bij het hoofd van het kantoor in Eindhoven heeft hij laten weten geen verantwoordelijkheid te willen nemen voor de inhoud van de brandkast. En bij een eventuele overval kon Verhagen zich beroepen op dit onderhoud, dat hij schriftelijk had vastgelegd. Dit speelde zich allemaal af in begin 1944. En wat gebeurt er dan op enig moment:In Geldrop had je uiteraard ook personen die in het verzet zaten en de weg wisten in het distributiekantoor


Het gevolg kon niet uitblijven: Verhagen had allang een vermoeden dat er een overval zou worden gepleegd. Wie deze zou gaan plegen wilde hij helemaal niet weten! Hoe minder je weet hoe beter! Voor het ontvreemden van bonnen had oud Burgemeester Van de Putt een contactpersoon die het weer doorgaf aan het verzet. Bij de verantwoordelijke mensen in Geldrop was bekend dat het verzet het gemunt had op de TD-kaarten met persoonsregistratie!
Het uur U was genaderd: Een speciale knokploeg van het verzet werd ingezet en in de nacht van zondag 16 en 17 April 1944 werd er een overval gepleegd in het distributiekantoor van Geldrop. De mensen van het verzet wisten alleen niet dat er een lid van de S.S. ondergedoken in St Oedenrode, in deze verzetsgroep terecht was gekomen. Er werd bij de overval een groot aantal bonnen en 11547 TD-kaarten buitgemaakt! De Hr.Verhagen werd op 17 April door de SD gearresteerd en afgevoerd naar de gevangenis in Den Bosch. Na enige weken kwam hij weer vrij omdat er geen bewijslast was gevonden en dook daarna onder in Limburg. Een belangrijk lid van de knokploeg de Geldroppenaar Harrie van Gestel en andere medeplichtigen uit 
St. Oedenrode die werden op 14 Mei opgepakt en op 6 Augustus in het concentratiepark Vucht ter dood gebracht. Een andere belangrijke ambtenaar J. Heurkens werd op 9 Augustus eveneens in Vucht gefusilleerd. Tot slot nadat de Hr.Verhagen na de bevrijding weer aan het werk kon, heeft hij zich in de jaren daarna erg verdienstelijk gemaakt voor de Geldropse industriële geschiedenis, in het bijzonder in de textielhistorie.


Na zijn pensionering heeft hij in 1983 het Weverijmuseum opgericht.

JG
(bron: Jean Coenen)

 

Oktober 2014 Fabriekeur De Bruijn

De benaming Fabrikeur kwam al voor in de Leidse en Tilburgse textielplaatsen.

In 1744 komt de naam van Fabrikeur voor het eerst voor in Geldrop.
Een zekere Hendrik de Bruijn een succesvol maar ook harde ondernemer was er zo een.

Hij liet mensen bij zich aan huis werken en betaalde met zogeheten kruisduiten.
Ze werden ook wel “Brabantse Oortjes” genoemd. Een wettig(?) betaalmiddel in die tijd. Volgens een Schepenakte van 21 April 1746 werd bij huiszoeking in de woning van H. de Bruijn te Geldrop een hoeveelheid van deze kruisduiten in beslag genomen.
Dus er was toch iets niet helemaal juist met deze Fabrikeur en zijn betalingsverkeer!
Een onprettig bijverschijnsel van deze wijze van betaling was dat de werknemers deze munten alleen maar in zijn eigen winkel konden besteden.
Een duidelijk geval van gedwongen winkelnering.
De Bruijn, die in de archieven vermeld staat als “Coopman en Winkelier” was niet alleen actief als ondernemer, maar ook als bestuurder.
Hij was burgemeester en daarmee verantwoordelijk voor de inning van de belastingen in het dienstjaar 1745 -1746 en tevens was hij schepen (zou nu wethouder heten) in Geldrop gedurende de jaren 1756 – 1766. 
Dus  een man met veel functies vooral voor eigen belang.
Deze Fabrikeur is een duidelijk voorbeeld van het begin van de proto-industie.

In de beginfase van de textielnijverheid gaat het nog om zogeheten huis -industrie waarbij de wevers min of meer voor eigen rekening werkten.
Ze kochten zelf wol of kregen die aangeleverd en maakte daarvan lakense stoffen die ze dan zelf probeerden te verkopen.
In die tijd is een ondernemer, de Fabrikeur die de wol inkoopt en distribueert over de wevers die tevens voor hem werken.
Hij betaalt ze en verkoopt zelf de stoffen op lokale en/of verder gelegen markten.
De fase wordt als compleet beschouwd als de Fabrikeur de wevers bij zich aan huis laat werken b.v. in een Fabriekshuis.
Dit is dan eigenlijk de eerste vorm van een Textielfabriek.
Vrij snel daarna begon ook een zekere Joost Vogelpoel voor zichzelf een klein textielbedrijfje. Twee pioniers dus!


Er zullen er daarna in Geldrop nog veel hun voorbeeld volgen!

J.G.   


November 2014 Heerlijke Rechten
 
Geldrop en Mierlo waren in de late middeleeuwen z.g. “Heerlijkheden”, dat betekende dat ze bestuurd werden door een kasteelheer. Deze heren hadden: “Heerlijke Rechten” waarbij ze aan de burgers van hun dorpen voor allerlei zaken geld mochten vragen. Je zou kunnen zeggen dat zij de belastingontvangers van de middeleeuwen waren! Dat was nu ook het geval met de Heer van Geldrop Amandus van Horne en de Heer van Mierlo Erasmus van Grevenbroeck die rond 1580 ieder hun eigen kasteel bezaten. Zij hadden ook regelmatig contact met elkaar en kwamen bij elkaar op bezoek om te overleggen hoe ze zoveel mogelijk geld bij de burgers konden weg halen. Deze burgers moesten Cijns (belasting) betalen over allerlei zaken zoals: over de grond waarop ze woonden, over de jaarlijkse oogsten en over de verkoop van hun producten op de markt. In dit verband is te vermelden dat een thuiswever die er toen in onze regio al veel woonde. Dat deze wever 10 % van de opbrengst van de lakense stoffen die hij op de markt had verkocht af moest dragen aan een van beide Kasteelheren. Dat was uiteraard afhankelijk van waar ze woonde. Ook moest in die tijd iedereen Tol betalen voor het gebruik van wegen en bruggen die dikwijls de overgang was van het grondgebied van de kasteelheer. Zo was Amandus van Horne de eigenaar van de ons bekende watermolen in Geldrop. Hij kreeg een deel van de opbrengst van de handelaren die daar hun wollen stoffen lieten vollen. En Erasmus van Grevenbroeck was de eigenaar van de windmolen in Mierlo.
Deze kreeg een deel van de opbrengst van de boeren die daar hun graan lieten malen.
Buiten deze rechten bestond er ook nog de “Hoge Heerlijkheid” waarbij de rechtspraak in handen was van deze beide heren. Zij konden beslissen over leven en dood!
Volgens de overleveringen zou Amandus van Horne een redelijk brave kasteelheer zijn geweest! Dit in tegenstelling tot Erasmus van Grevenbroeck, die bekend stond als een wrede man en mede verantwoordelijk was voor de beruchte Heksenprocessen (1595) waarbij vrouwen uit Lierop en Mierlo als heksen werden bestempeld en op de brandstapel terecht kwamen. Pas in 1795 werden de “Heerlijke Rechten” en ook de “Hoge Heerlijkheid” afgeschaft. Maar goed ook want als je dit zo leest dan was het een wrede tijd en zeer onrechtvaardig.
Dan denk je “Toch maar liever gewoon je belasting betalen”!

J.B./ J.G.





                              



 


 







res_museum.jpg